
1. Toevoer
Via de toevoer wordt het afvalwater van een of meerdere afvoerpunten naar de afscheider geleid.
2. Olieopslag
In de oliereservoir worden afgescheiden lichte vloeistoffen tegengehouden en opgeslagen totdat er sprake is van de lediging.
3. Afscheidingsruimte
In de afscheidingsruimte vindt het afscheidingsproces van de lichte vloeistoffen en het slib uit de afvalwaterstroom plaats.
4. Slibvang
In de slibvang worden sedimenten en andere bezinkbare stoffen tegengehouden en opgeslagen.
5. Coalescentiefilter
Het coalescentiefilter verhoogt de afscheidingscapaciteit van de afscheider.
6. Overloopbeveiliging
De overloopbeveiliging voorkomt dat de olietank overloopt en verontreinigd afvalwater in het riool terechtkomt.
7. Uitloop
Via de uitloop wordt het gezuiverde afvalwater naar een bemonsteringspunt en vervolgens naar het riool geleid.
Wat gebeurt er in een lichte vloeistoffen afscheider?
De werking van lichte vloeistoffen afscheiders is gebaseerd op het zwaartekrachtprincipe: door het verschil in dichtheid tussen water, olie, benzine en vuildeeltjes (slib) scheiden de verschillende stoffen zich vanzelf in de afscheidingsbak. Met een coalescentiefilterinzetstuk kan de afscheidingscapaciteit indien nodig nog verder worden verhoogd.
lozing van afvalwater
Het verontreinigde afvalwater wordt naar de lichte vloeistoffen afscheider geleid, waar de stroming dankzij het grote volume van de tank grotendeels tot rust komt.
Vorming van een sliblaag
In het stromingsgereduceerde reservoir zakken stoffen die zwaarder zijn dan water naar de bodem en komen terecht in de slibvang.
Vorming van een dunne vloeistoflaag
Olie en benzine stijgen naar boven en vormen daar een laag lichte vloeistoffen, die in de afscheider wordt tegengehouden.

Waarvoor worden lichte vloeistoffen afscheiders gebruikt?
Lichte vloeistoffen afscheiders worden overal ingezet waar afvalwater verontreinigd kan raken door brandstoffen en/of smeermiddelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de automobielsector, zoals tankstations, wasstraten of garages, maar ook voor parkeergarages, autokerkhoven en overslagstations. In dergelijke bedrijven is het absoluut noodzakelijk om het afvalwater voor te behandelen – niet in de laatste plaats omdat één enkele druppel benzine al voldoende is om een kubieke meter water onbruikbaar te maken.

coalescentieafscheider
Waarin verschillen de lichte vloeistoffen afscheiders van de systemen A (klasse I) en B (klasse II) van elkaar?
Lichte vloeistoffen afscheider van het „Systeem B“ (klasse II) werken uitsluitend volgens het zwaartekrachtprincipe. Deze afscheiders worden ook wel olie-/benzineafscheiders genoemd. In een lichte vloeistoffen afscheider „Systeem A“ (klasse I) is bovendien een coalescentiefilterelement ingebouwd. Het coalescentiefilterinzetstuk verhoogt de prestaties van de afscheider door ook de kleinste druppels lichte vloeistof op te vangen en naar de oliereservoir te leiden. Een dergelijk filterinzetstuk kan ook worden gebruikt om een afscheider 'Systeem A' (klasse I) achteraf om te bouwen tot een afscheider 'Systeem B' (klasse II).
Afscheiders „Systeem B“ (klasse II) mogen bij de keuring volgens DIN EN 858-1, paragraaf 8.3.3, een maximaal toegestaan gehalte aan koolwaterstoffen van 100 mg/l bereiken. Bij afscheiders van het „systeem A“ (klasse I) bedraagt deze waarde 5 mg/l. Uit deze verschillende eisen kan worden afgeleid dat de afscheider van het „systeem A“ (klasse I) een aanzienlijk hoger afscheidingseffect bereikt dan de afscheider van het „systeem B“ (klasse II).
Verschil tussen afscheiders van „klasse A“ (klasse I) en „klasse B“ (klasse II)
Afscheiders van „klasse A“ (klasse I):
maximaal toegestaan gehalte aan koolwaterstoffen van 5 mg/l in de afvoer
Afscheiders van „klasse B“ (klasse II):
maximaal toegestaan gehalte aan koolwaterstoffen van 100 mg/l in de afvoer
Coalescentie in lichte vloeistoffen afscheiders
Als u de prestaties van uw lichte vloeistoffen afscheider wilt verbeteren, kunt u gebruikmaken van het fysische principe van coalescentie. Hier leest u wat coalescentie precies inhoudt en hoe de bijbehorende filterinzetstukken voor lichte vloeistoffen afscheiders werken.

Wat is coalescentie?
In de natuurkunde wordt onder coalescentie verstaan: het samensmelten van afzonderlijke stoffen tot één enkele massa. Coalescentie is bijvoorbeeld waarneembaar wanneer meerdere druppeltjes van dezelfde vloeistof elkaar raken en samensmelten tot een grotere druppel. Afscheidingsinstallaties met een coalescentiefilter maken gebruik van dit principe om de kleinste deeltjes van lichte vloeistoffen af te scheiden.
Hoe werkt een coalescentiefilterpatroon?
In een lichte vloeistoffen afscheider met een coalescentiefilterelement stroomt het te behandelen afvalwater langs een oleofiel („vetvriendelijk“) materiaal, zoals bijvoorbeeld een openporig PU-schuim. De in het afvalwater aanwezige lichte vloeistofdeeltjes hechten zich aan dit materiaal en verbinden zich geleidelijk met elkaar. Omdat de olieverbindingen in vergelijking met kleinere deeltjes meer drijfvermogen hebben, stijgen ze uiteindelijk naar boven en worden daar door de olielaag opgenomen.
1. Vorming van een oliefilm
De niet-drijvende deeltjes van de lichte vloeistof worden naar het coalescentiemateriaal geleid en vormen daar een oliefilm.
2. Drijfkracht
Zodra er voldoende deeltjes zijn gebonden, komen er door de grotere opwaartse kracht afzonderlijke druppels los uit de oliefilm.
3. Olieafscheiding
De opgeloste druppels drijven naar het oppervlakte, waar ze in de olielaag terechtkomen en zo kunnen worden geledigd.

Automatische sluitinrichting/uitloopblokkering
Olie-/benzineafscheiders en coalescentieafscheiders zijn standaard uitgerust met een automatische afsluitinrichting. Deze inrichting voorkomt dat lichte vloeistoffen in het riool terechtkomen wanneer de maximale oliecapaciteit van de afscheider is bereikt. Bij de KESSEL-lichte vloeistoffen afscheider bestaat deze beveiliging uit een vlottergeleidingsbuis, die tijdens normaal bedrijf met water is gevuld. De vlotter is zo afgesteld dat hij in het water drijft en in de lichte vloeistoffen (tot een dichtheid van 0,95 g/cm³) zinkt. Wanneer de maximale oliecapaciteit is bereikt, stroomt er olie via horizontaal gelegen openingen in de vlottergeleidingsbuis. De vlotter zinkt dan naar beneden en sluit de afvoer van de afscheider betrouwbaar af.
De automatische afsluiting van een afscheider is een „noodrem“. Als deze in geval van een storing in werking treedt, moet de afscheider buiten bedrijf worden gesteld en worden onderhouden. Lichte vloeistoffen afscheiders moeten daarom regelmatig worden onderhouden en indien nodig worden geledigd.



