Afvalwater uit een regenwateropvanginstallatie
Volgens DIN 1989 moet de overloop van regenwaterreservoirs zonder terugstroomrisico op het riool worden aangesloten. Hierbij moet het volgende worden onderscheiden:
- Bij aansluiting op een regenwaterriool kan de beveiliging plaatsvinden door middel van terugstuwbeveiligingen van het type 0, 1 of 3 volgens DIN EN 13564-1
- Bij aansluiting op een gemengd riool moet de afvoer plaatsvinden via een opvoerinstallatie voor afvalwater volgens DIN EN 12050-1
Wat de dimensionering betreft, moet een ontwerpregensom r(5,100) worden gehanteerd.
Afvalwater uit kleine zuiveringsinstallaties
Kleine zuiveringsinstallaties moeten eveneens terugstroomveilig worden geïnstalleerd. Als er geen hoogteverschil is tussen het bedrijfswaterpeil en het terugstuwniveau, bestaat het risico dat de werking van de zuiveringsinstallatie wordt verstoord. Voldoende bescherming kan worden bereikt door middel van terugstuwbeveiligingen.
Afvalwater uit drainage
Grondwater mag in principe niet in het openbare rioolstelsel worden geloosd. Indien de afwatering van een gebouw op het rioolstelsel moet worden aangesloten, moet vóór aanvang van de bouw met de waterautoriteit of de exploitant van het rioolnetwerk worden overlegd of lozing is toegestaan. De afvoerleiding moet in dit geval buiten het gebouw worden geleid naar een toegankelijke schacht met een zandvanger van minimaal 0,5 m diep en zonder terugstroom op het afvoersysteem worden aangesloten. Aangezien het verval naar het riool meestal onvoldoende is, moet een opvoerinstallatie worden gebruikt.



