Hoe wordt de hydraulische berekening van een opvoerinstallatie uitgevoerd?
Afhankelijk van de interactie tussen een gekozen pomp met zijn pompkarakteristiek en een bepaalde inbouwsituatie ontstaat op het snijpunt in het Q/H-diagram het zogenaamde werkpunt. Hieruit volgt een bepaalde opvoerhoogte en -hoeveelheid. Bij de verdere dimensionering moet worden gecontroleerd of bepaalde snelheden in de persleiding worden aangehouden.
- Minimaal 0,7 m/s om afzettingen te voorkomen
- Maximaal 2,3 m/s om hoge wrijvingsverliezen te voorkomen
Verder moet de Qp in het werkpunt groter zijn dan het debiet in de toevoer Qzu. Als niet aan deze voorschriften wordt voldaan, moet ofwel de opvoerinstallatie ofwel de persleiding worden aangepast – totdat aan de vereiste grenswaarden wordt voldaan.
Wat is de prestatiecurve van de installatie?
De installatiekarakteristiek beschrijft het verband tussen het volumedebiet Q en het pompdebiet H voor een specifieke leiding. Daarbij moet rekening worden gehouden met twee componenten:
- De geodetische hoogte Hgeo, die voortvloeit uit het hoogteverschil tussen de bodem van de verzamelbak en de bodem van de terugstuwlus en altijd constant is
- De verlieshoogte Hv, die voortvloeit uit de leidingafmetingen en hulpstukken en die bij een toenemend debiet steeds verder stijgt




