
2 Drukleiding
3 Toevoer
RSE = terugstuwniveau
Waarom en hoe moet men be- en ontluchten?
Opvoerinstallaties en pompstations moeten worden be- en ontlucht om drukschommelingen in afvalwaterreservoirs te compenseren en de concentratie van corrosieve of stinkende gassen te beperken. Hiervoor worden ventilatieleidingen gebruikt die de luchtverversing tussen de reservoirruimte en de buitenlucht of binnenruimtes mogelijk maken.
De regels voor de ventilatie van opvoerinstallaties zijn te vinden in DIN EN 12056-4, paragraaf 5.3, en in DIN 1986-100, paragraaf 6.5.3.

DIN EN 12050-1
Schematische weergave: aansluiting van een fecaliënverpompinstallatie op de verzamelleiding
1 Ontluchting
2 Afvoerleiding
3 Drukleiding van de fecaliënopvoerinstallatie
4 Ontluchtingsleiding voor fecaliënopvoerinstallatie
5 Verzamelleiding
6 Riolering
7 Terugstuwniveau
8 Fecaliënopvoerinstallatie met terugslagklep
9 Reinigingsopening
10 terugstuwlus
Aard van de ventilatiekanalen
Voor de ventilatiekanalen moeten voldoende minimale doorsneden worden gekozen. Deze vloeien voort uit de voorschriften van DIN EN 12050-1 in paragraaf 4.3.3
- Bij debieten tot 12 l/s minimaal DN 50.
- Bij grotere debieten minimaal DN 70.
Indien een normconforme ventilatie niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden in monumentale gebouwen, kan als alternatief een combinatie van ventilatieklep en actieve kool worden toegepast onder twee voorwaarden:
- Voldoende dimensionering voor een veilige afvoer van over- en onderdruk
- Regelmatige zelfcontrole, onderhoud en vervanging van de actieve kool
Maar de voorkeur gaat – indien mogelijk – altijd uit naar een vast geïnstalleerde ventilatieleiding over het dak, omdat deze de vereiste drukvereffening veilig garandeert.







